Huisartsenpost en allochtonen
Bibliotheek (Redactie Bibliotheek) maandag 1 december 2008, 09:47- Huisartsen (en HAP) |
- Onderzoek |
- Doorgeklikt: 392 keer
- | Nog geen reacties
Sadri N. Huisartsenpost en allochtonen. Nijmegen, IQ healthcare 2005
Met de komst van de huisartsenpost is de organisatie van de huisartsenzorg buiten kantoortijd ingrijpend veranderd. Over het algemeen zijn patiënten tevreden over de geboden zorg. Toch zijn er mogelijk risicogroepen waarvoor de zorg door huisartsenposten tekort schiet. Allochtonen vormen mogelijk één van die risicogroepen. Onze hypothese is dat vooral bij de telefonische triage problemen zullen ontstaan. Om de risicos voor allochtonen in te schatten en de huisartsenposten handvatten te geven om deze zorg te verbeteren ligt het voor de hand om te beginnen de allochtone patiënt zelf een mening te vragen.
Doel
Doel van dit onderzoek is het oordeel van de allochtone patiënt over de geboden zorg op de huisartsenpost te inventariseren en de knelpunten te ontdekken, door allochtone patiënten te vergelijken met autochtone patiënten.
Methode
Transversaal onderzoek door middel van een schriftelijke vragenlijst in periode juni 2002-november 2004 onder patiënten van 24 huisartsenposten verspreid over heel Nederland. Het betreft een kwalitatief en kwantitatief onderzoek naar het oordeel over de zorg, verwachtingen en belemmeringen van allochtone patiënten vergeleken met autochtone patiënten die contact hadden met een huisartsenpost.
Resultaat
De totale respons was 51,4% (n= 7408), waarvan 2,8% allochtoon was (n= 210). De populatie van allochtonen en autochtonen was niet geheel vergelijkbaar wat betreft de leeftijdsverdeling. We zagen minder respondenten bij de allochtonen in de leeftijdscategorie van 75 jaar en ouder en meer allochtonen in de leeftijdsgroep van 25-44 jaar. De allochtone patiënten hebben ten aanzien van de aard van hulp een andere, vaak hogere, verwachting vergeleken met autochtone patiënten. Allochtonen verwachtten vaker een consult (resp. 60% en 48%). Allochtonen hadden hogere verwachtingen wat betreft de inhoud van het contact. Zo verwachtten allochtonen vaker een recept (resp. 49% en 34%), een behandeling (resp. 20% en 14%) en/of een verwijzing naar het ziekenhuis te krijgen (resp. 26% en 15%). Bij het komen naar de post ervoeren allochtonen andere belemmeringen dan autochtonen. Allochtonen konden moeilijker van huis weg (resp. 10% en 5%) dan autochtonen. Verder hadden allochtonen zowel vooraf vaker contact gehad met de huisarts over hetzelfde probleem dan autochtonen (resp. 34% en 24%) als achteraf respectievelijk 16% en 10%). Allochtone patiënten uit de telefoongroep hadden vaker achteraf contact met het ziekenhuis (24%) dan autochtone patiënten (13%). Op vrijwel alle aspecten oordeelden allochtonen negatiever over de hulpverleners aan de telefoon dan autochtonen. Vooral gaven de allochtonen voor met name het serieus genomen voelen (resp. 17% en 7%), het krijgen van begrijpelijke uitleg (resp. 16% en 7%), vertrouwen in de hulpverlener (resp. 17% en 8%) en uitvoerbaarheid van het advies (resp. 20% en 11%) vaker een onvoldoende dan autochtonen. Ook waren allochtonen negatiever over de zorg door de arts, met name het begrijpen van het probleem (resp. 11% en 5%), het krijgen van begrijpelijke uitleg (resp. 13% en 5%), vertrouwen in de arts (resp. 11% en 6%), gekregen advies (resp. 14% en 7%) en uitvoerbaarheid advies (resp. 14% en 6%) vergeleken met autochtonen. Tenslotte oordeelden allochtonen vergeleken met autochtonen ook negatiever over de organisatie van de huisartsenpost, onder andere over de voorlichting over de huisartsenpost (resp. 21% en 14%), telefonische bereikbaarheid (resp. 15% en 7%), wachttijd tot telefonisch consult, consult of visite (resp. 16% en 10%).
Conclusie
Aan de hand van het vragenlijst- en het literatuuronderzoek is duidelijk geworden dat voor de allochtonen in vergelijking met autochtonen, de zorgvraag en het aanbod minder op elkaar zijn afgestemd. Allochtonen hebben andere verwachtingen dan autochtonen, ervaren andere belemmeringen en allochtonen oordelen negatiever over de ontvangen zorg op de huisartsenpost. Tenslotte hebben meer allochtonen voor en na het contact met de huisartsenpost nog contact met andere zorgverleners. Deze verschillen zijn waarschijnlijk te verklaren door cultuurverschillen, taalbarrière en onzekerheid bij allochtonen. Met name tijdens de telefonische triage vormen allochtonen een risicogroep door de grote risico's op miscommunicatie ontstaan. Er dient dan ook vaker een consult of visite afgesproken te worden, om onveilige situaties te vermijden. Ook is het aan te bevelen voor triage-assistenten een specifiek onderwijsprogramma te ontwikkelen in het omgaan met allochtonen. Tenslotte dienen allochtonen frequent en in hun eigen taal te worden voorgelicht over de huisartsenpost en welke zorg ze daarvan mogen verwachten. De onvrede die bij allochtonen bestaat als gevolg van taal en cultuurbarrières zal nooit helemaal op te lossen zijn. Maar door wederzijds begrip en inzet kunnen veel knelpunten worden weggenomen wat kan leiden tot betere gezondheidszorg, voor allochtonen.
Lees hier de hele scriptie




Reacties