Inventarisatie vraag en aanbod van waarnemers in de huisartspraktijk
Bibliotheek (Redactie Bibliotheek) woensdag 1 april 2009, 15:19- Huisartsen (en HAP) |
- Onderzoek |
- Organisatieperspectief |
- Doorgeklikt: 914 keer
- | Nog geen reacties
Lugtenberg M, van der Velden LJF, Hingstman L. Inventarisatie vraag en aanbod van waarnemers in de huisartspraktijk, Utrecht: NIVEL; 2006
Achtergrond en doelstelling
De samenstelling van de beroepsgroep huisartsen is in de laatste jaren sterk veranderd. Niet alleen zijn huisartsen steeds vaker vrouw en werken zij vaker in deeltijd, ook kiezen zij steeds meer voor een andere manier van werken. Het klassieke beeld van de huisarts die zich binnen enkele jaren na afstuderen vestigt in een solopraktijk verdwijnt. In plaats daarvan kiest men steeds vaker voor het samenwerken in een duo- of groepspraktijk of in een gezondheidscentrum (Kenens & Hingstman, 2005). Tevens gaat men in toenemende mate flexibelere werkrelaties aan, bijvoorbeeld door als HIDHA (huisarts in dienst van een ander huisarts) of als waarnemer aan de slag te gaan.
Een belangrijk punt van discussie in de huisartsenzorg is de omvang van de groep waarnemers. Waarnemers maken een belangrijk deel uit van het zorgaanbod van huisartsen.
Vanuit het veld zijn er tal van signalen dat het aantal waarnemers de laatste jaren sterk is gegroeid en dat steeds meer huisartsen van hun waarneemschap een vaste baan maken. Aantrekkelijke waarneemtarieven, maar bijvoorbeeld ook de vrijheid en flexibiliteit die het waarnemen biedt, zouden hier een rol in spelen. Tegelijkertijd kunnen er ook negatieve redenen zijn om waar te nemen. Waarnemen kan immers ook een gedwongen keus zijn op het moment dat er niet voldoende mogelijkheden zijn om als zelfstandig huisarts of HIDHA aan de slag te gaan. In die zin kan het bestaan van een groot aantal waarnemers of het toenemen van het aantal waarnemers ook een signaal zijn van een actueel of dreigend overschot aan huisartsen.
Volgens gegevens van het bureau ‘Waarneembemiddeling’ telde Nederland eind 2004 tussen de 1500 tot 2000 waarnemers (NieuwsReflex Medisch Contact, 2004). De ruime definitie van ‘waarnemer’ die door dit bureau wordt gehanteerd, evenals het feit dat ingeschreven huisartsen zich niet snel uit laten schrijven, doen vermoeden dat deze schatting wellicht aan de hoge kant was. Een andere bron is de registratie van pas afgestudeerde huisartsen van het NIVEL. Op basis van deze bron zouden er jaarlijks tussen de 200 en 300 huisartsen zijn die na hun afstuderen enige tijd als waarnemers aan de slag gaan. Echter, op basis van deze gegevensbron kan bijvoorbeeld geen inzicht verkregen worden in het aantal huisartsen dat na het beëindigen van hun praktijk nog een tijd als waarnemer aan het werk gaat. Er zijn dus geen eenduidige gegevens beschikbaar op basis waarvan inzicht verkregen kan worden in het aantal waarnemers in de huisarts-praktijk.
In het kader van de capaciteitsraming voor huisartsen is het van groot belang om ook rekening te houden met het aantal huisartsen dat als waarnemer werkzaam is en het totaal aantal uren dat door hen wordt waargenomen. Daaraan gekoppeld is het eveneens van belang om inzicht te krijgen in de vraag naar waarnemers. Voor het opvangen van afwezigheid vanwege bijvoorbeeld ziekte of vakantie, zal er binnen huisartsenpraktijken altijd een zekere vraag naar waarnemers bestaan. Naast het opvangen van deze zogenaamde ‘reguliere’ werkzaamheden, is er ook een specifieke behoefte aan het uitbesteden van avond-, nacht-, en weekenddiensten (ANW-diensten). De vraag is dan ook hoeveel waarnemers Nederland zou moeten tellen om te kunnen voldoen aan de totale vraag naar waarnemingen vanuit de huisartsenzorg. Bovengenoemde ontwikkelingen waren voor het Capaciteitsorgaan aanleiding om door het NIVEL een onderzoek te laten verrichten naar vraag en aanbod van waarnemers in de huisartsenzorg. Doel van dit onderzoek is om enerzijds inzicht te krijgen in het aantal waarnemers en daarmee in de totale waarneemcapaciteit in Nederland en anderzijds inzicht te krijgen in de vraag naar waarnemers vanuit het perspectief van de huisartspraktijk.
Lees hier het volledige rapport




Reacties