Organisatie van spoedzorg in de verloskundige keten
Bibliotheek (Redactie Bibliotheek) dinsdag 1 februari 2011, 09:28- Ketensamenwerking |
- Onderzoek |
- Organisatieperspectief |
- Doorgeklikt: 928 keer
- | 2 reacties
De Borst, Wiegers TA. Organisatie van spoedzorg in de verloskundige keten. Utrecht: NIVEL; 2010. Report No.: ISBN 97 8946 1220 516
Verloskundige zorg is alle zorg rond zwangerschap, bevalling en kraambed. Bij die zorg kunnen veel verschillende zorgverleners betrokken zijn: verloskundigen, huisartsen, gynaecologen en verplegend personeel, kraamverzorgenden en, indien noodzakelijk, kinderartsen of neonatologen en ambulancemedewerkers. Om ervoor te zorgen dat het verloskundige systeem goed functioneert, zijn afspraken nodig, omdat de gevolgen van een gebrekkige samenwerking ernstige gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van moeder en kind. Er is echter onvoldoende inzicht in de mate waarin de samenwerking binnen de verloskundige spoedzorg keten tot problemen leidt. Om dit inzicht te vergroten is het project ‘Organisatie van spoedzorg in de verloskundige keten’ (ZonMw projectnr. 82711003) opgezet.
Het project is in twee fasen uitgevoerd. De eerste fase bestond uit een kwalitatieve inventarisatie van de bestaande situatie, mogelijke knelpunten en zaken die anderzijds aandacht vragen met betrekking tot de organisatie van de spoedzorg in de verloskundige keten. Daartoe zijn 21 semigestructureerde interviews gehouden met vertegenwoordigers van alle relevante beroepsgroepen, namelijk: 4 eerstelijns verloskundigen, 5 ambulancemedewerkers, 4 huisartsen, 2 meldkamer centralisten, 2 gynaecologen, 3 klinisch verloskundigen en 1 O&G verpleegkundige. Deze (explorerende) fase is tevens gebruikt om vragenlijsten op te stellen voor de tweede fase van het onderzoek.
De tweede fase bestond uit een kwantitatieve inventarisatie van het verloop van spoedzorg in de verloskundige keten. Daartoe zijn schriftelijke vragenlijsten gestuurd naar eerstelijns verloskundige praktijken, ambulancediensten, huisartsenposten en ziekenhuisafdelingen verloskunde/gynaecologie. Daarin is gevraagd naar ervaringen met spoedzorg in de verloskundige keten in de voorgaande 12 maanden, zowel inhoudelijk (wat, waar, wanneer en hoe) als cijfermatig (hoe vaak komt het voor). Ook is een vragenlijst opgesteld om de ervaringen van cliënten met spoedzorg in de verloskundige keten te meten.
De centrale vraagstelling in dit onderzoek is: rekening houdend met regionale verschillen en omstandigheden, hoe ziet de samenwerking in de spoedzorgketen tussen verloskundigen en ambulancediensten, verloskundigen en ziekenhuizen en verloskundigen en huisartsenposten er uit?
Wat voor concrete afspraken zijn er, hoe worden die geëvalueerd en op welke wijze, onder welke voorwaarden en met welke instrumenten kan de spoedzorgketen organisatorisch-kwalitatief beter worden vormgegeven?
Uit de interviews met vertegenwoordigers van alle betrokken ketenpartners zijn acht thema’s naar voren gekomen waarmee de organisatie van de spoedzorg in de verloskundige keten beschreven kan worden. Die thema’s zijn:
1. Werkwijze
2. Keten van eerste lijn naar ziekenhuis
3. Vervoer
4. Opvang in het ziekenhuis
5. Samenwerkingsafspraken/protocollen
6. Communicatie
7. Samenwerking ketenpartners
8. Context
Aan de hand van deze thema’s is een chronologisch beeld geschetst van de praktijk van de verloskundige spoedzorg en is meer inzicht verkregen in met name het verloop van de contacten (wie belt met wie? welke informatie wordt overgedragen?) en mogelijke knelpunten daarbij en is meer inzicht verkregen in wat zorgverleners van elkaar weten en verwachten (wie prikt een infuus? wie doet de overdracht en aan wie wordt over-gedragen?).
De interviews leverden ook gedetailleerde voorbeelden op van incidenten of bijna incidenten die wel inzichtelijk maken waar knelpunten in samenwerking zijn, maar niet in de mate waarin of de frequentie waarmee dergelijke situaties zich voordoen. Om ook daar meer inzicht in te krijgen zijn schriftelijke vragenlijsten verstuurd aan (een representatieve steekproef van) zorgverleners die deel uit maken van de verloskundige spoedzorg keten in alle elf traumaregio’s. In totaal zijn 180 vragenlijsten verspreid onder zorgverleners en 108 ingevuld teruggekomen. Dat is een respons van 60%. Ook zijn vragenlijsten, via verloskundigen, verspreid onder alle cliënten die te maken hadden gehad met spoedzorg in de verloskundige keten binnen een periode van een half jaar (januari 2010 t/m juni 2010). Bij elkaar hebben 42 cliënten een vragenlijst ingevuld en teruggestuurd. Om een indruk te kunnen krijgen hoe vaak een spoedverwijzing eigenlijk voorkomt is aan zorgverleners gevraagd daar een inschatting van te maken en aan ambulancediensten om aan te geven hoeveel van hun spoedritten om verloskundige zorg gaan. Ruim de helft van de verloskundigen geeft aan dat een spoedverwijzing in hun praktijk hooguit 12 keer per jaar (maandelijks: 22%) of minder (jaarlijks: 37%) voorkomt. Gemiddeld wordt in een verloskundige praktijk ongeveer 6 keer per jaar een ambulance opgeroepen en vrijwel even vaak besluit een verloskundige de cliënt met spoed met eigen vervoer naar het ziekenhuis te brengen. Uit de registratiecijfers van de ambulancediensten is gedestilleerd dat 0,98% van alle spoedritten verloskundige ritten zijn.
Uit de schriftelijke vragenlijsten zijn, evenals uit de interviews, knelpunten naar voren gekomen die vooral te maken hebben met communicatie en de onbekendheid met of het ontbreken van afspraken daarover. Er bestaat bijvoorbeeld onduidelijkheid over hoe een melding aan de meldkamer van de ambulancedienst precies gedaan moet worden, meldkamercentralisten geven vaak niet door hoe lang het kan duren voordat de ambulance arriveert, de beslissing of tilassistentie nodig is wordt vaak pas genomen als de ambulance al is gearriveerd, voor de overdracht van de verloskundige naar de ambulanceverpleegkundige zijn geen vaste regels, evenmin als voor de overdracht naar het ziekenhuis en die terug naar de verloskundige. Ook contacten tussen verloskundige en huisartsenpost, hoewel zeldzaam, verlopen niet altijd soepel omdat verloskundigen en huisartsen(posten) geen directe telefoonnummers van elkaar hebben. Wat verder tot onduidelijkheid en misschien tijdverlies kan leiden is het gebrek aan inzicht in elkaars mogelijkheden en onmogelijkheden. Een voorbeeld daarvan is de onduidelijkheid rond het infuus prikken. De ambulanceverpleegkundige verwacht dat de verloskundige dat al gedaan zal hebben, terwijl de verloskundige daar meestal onvoldoende bekwaam in is.
Andersom weten verloskundigen vaak niet precies wat ze van de ambulanceverpleegkundigen kunnen verwachten, anders dan dat de patiënt vervoerd gaat worden. De ambulanceprotocollen zijn nauwelijks bekend bij verloskundigen. Onduidelijkheid en daarmee mogelijk tijdverlies bij de (telefonische) overdracht naar het ziekenhuis ontstaat als de gynaecoloog niet in huis is en degene die de overdracht ontvangt de situatie eerst zelf wil beoordelen alvorens de gynaecoloog alsnog op te roepen. Toch is de overheersende indruk die uit de resultaten naar voren komt dat de directe samenwerking tussen de ketenpartners over het algemeen probleemloos verloopt. Dat geldt in het bijzonder voor de contacten tussen de verloskundigen en de ambulancemedewerkers ter plaatse, zij vullen elkaar meestal goed aan wanneer snel handelen vereist is. Ook het contact tussen de afdelingen verloskunde en de eerstelijns verloskundigen verloopt meestal goed, vooral als men met elkaar vertrouwd is. Persoonlijke contacten en vertrouwen dragen bij aan een goede samenwerking en soepele overdracht. Maar als basis onder die goede persoonlijke contacten en het onderling vertrouwen zijn concrete afspraken en protocollen over samenwerking nodig.
Daarom zijn de volgende aanbevelingen gedaan:
1) geef meer bekendheid aan bestaande richtlijnen en protocollen, ontwikkel eventueel aanvullend een ketenbreed protocol, als kader voor regionale afspraken;
2) maak heldere afspraken over wie de verantwoordelijkheid draagt om een ander ziekenhuis te zoeken, wanneer de afdeling vol ligt;
3) maak heldere afspraken over de ontvangst in het ziekenhuis en over wanneer en op wiens verzoek de gynaecoloog wordt opgeroepen als hij/zij niet in huis is;
4) maak heldere afspraken over het inroepen van tilassistentie, met de zwangere, door vooraf te bespreken wat de mogelijkheden en risico’s zijn, met de meldkamer door in het meldprotocol daar een vraag over op te nemen;
5) maak heldere afspraken over couveusevervoer, stel vast wanneer het echt nodig is en wanneer een andere vorm van vervoer van de baby volstaat en neem in het meldprotocol op dat de centralist een tijdsindicatie geeft voor aankomst van een ambulance met couveuse;
6) maak heldere afspraken over gezamenlijke scholing, met name rond acute zorg, dit vergroot het inzicht in elkaars mogelijkheden en bevordert vertrouwen in elkaars competenties en expertise.
In een afsluitend symposium op 21 september 2010 is met betrokkenen uit alle sectoren die te maken hebben met spoedzorg in de verloskundige keten gediscussieerd over de resultaten uit het onderzoek. De hierboven vermelde aanbevelingen zijn mede tot stand gekomen op grond van de discussies. De resultaten van de schriftelijke gegevensverzameling zullen uitgesplitst naar traumaregio voorgelegd worden aan de ROAZ-en, na overleg met de coördinator van de LVTC (Landelijke vereniging trauma centra).
Lees hier het hele rapport




Reacties
“Uit het rapport:
In het geval van een fluxus zouden ambulanceverpleeg-kundigen graag zien dat de verloskundige alvast een infuus prikt. Maar verloskundigen zijn hierin veelal niet getraind.
Citaat 5 eerstelijns verloskundige:
“...ik ben niet geoefend een infuusnaald aan te brengen. En ik denk dat ik op dat moment genoeg te doen heb binnen dat kwartier, dat ik dat niet voor elkaar krijg.”
In enkele interviews worden twee oplossingen gegeven om dit probleem te ondervangen: verloskundigen zouden in het ziekenhuis een dagdeel kunnen trainen in het prikken van infusen.
Een dagdeel trainen in het prikken van infusen…... En daarmee zou dit probleem opgelost moeten worden ?
Ik denk dat de verloskundige die citeert dat zij bij een fluxus wel wat anders aan haar hoofd heeft, groot gelijk heeft.
Ambu personeel ziet zichzelf graag als de extra-murale acutezorg specialist. Als je dat wil zijn , moet je dat ook waarmaken, en niet gaan lopen “miauwen” over het wel of niet prikken van een infuus.
Rob Pielage, Ex Ambupleeg, Veghel
Mir schreef op zondag 29 april 2012 om 06:00:
Haha ik ben dus ook niet zo bijzonder met mijn dothcer van 2915g en zoon van 4310 g. Bijna een negenponder dus!Na 38,5 week kwamen ze spontaan, en de bevalling ging super (okee, natuurlijk was het heel zwaar maar het is gelukt!) ondanks dat het vrij forse baby’s waren.Dus tweelingen hoeven echt niet altijd van die mini’s te zijn hoor.groeten Marthe